zuidvleugel
'De Zuidvleugel moet meters maken' aldus Henk Ovink
vrijdag 4 juli 2008
Henk Ovink is directeur Nationale Ruimtelijke Ordening. Hij was als hoofd Ruimte en Wonen bij de provincie belangenbehartiger in de Zuidvleugel. Na één jaar VROM vertelt hij over zijn directie "de mooiste van het rijk". En hij kijkt terug op de provincie en op de Zuidvleugel. 

 

Wat doet u nu?
‘Ik ben sinds 1 mei directeur Nationale Ruimtelijke Ordening een fusie van twee directies (VOS en NIB). De ene gericht op visie, ontwerp en strategie, de ander gericht op beleid, instrumenten en wetgeving. De fusie zorgt dat de hele beleidscyclus met de kennis en onderzoekscyclus in elkaar grijpen. Daarmee is het de mooiste directie binnen de portefeuille Ruimte van VROM!'

 

Waar wordt u nou enthousiast van?
‘Dat is toch ook hier weer de koppeling en spanning tussen inhoud én organisatie én bestuur. VROM is, net als de provincie, in veel opzichten een procesgerichte organisatie geworden. Ik geloof daar niet in. Met een meer inhoudsgedreven organisatie weet iedereen wat hij of zij moet doen en waarom. Kortom de doelen en ambities zijn scherp en goed uit te leggen. Het 'hoe' is afgeleid van het 'wat' en 'waarom' en niet andersom, zoals nog te vaak gebeurd. Daardoor kun je goed sturen op resultaat en op proces en is de relevantie van het handelen gericht op meer dan de eigen positie.'

 

Wat is het verschil: werken voor provincie of departement?
‘Een inkoppertje is dat het rijk nooit bezig is met Waarom zijn wij op aarde? De provincie stelt zichzelf elke dag die vraag. Door die vanzelfsprekende positie hoef ik daar geen energie aan te verspillen. Dat is een opluchting. De provincie heeft nu overigens met het rapport van de Commissie Lodders een troef in handen om actief en niet reactief haar rol als middenbestuur op te pakken. De nWro biedt daarvoor ook voldoende ruimte en kansen. Een ander verschil is de bestuurlijke kant, de eenduidige politieke aansturing. Bij de provincie speelt altijd het samenspel maar ook de ingebakken spanning tussen de gekozen bestuurders enerzijds en de Commissaris van de Koningin als benoemde bestuurder anderzijds. Dat kan lastig zijn. Bij het rijk speelt die spanning niet. Het leuke van de projecten waarvoor ik als ambtelijk opdrachtgever verantwoordelijk ben, is dat ik voor het kabinet werk, een samenstel en -spel van bewindslieden. Natuurlijk dien ik in eerste instantie Jacqueline Cramer en Ella Vogelaar. Maar ik doe het uiteindelijk in belang van het kabinet. Dat vind ik mooi: dat het breder is dan het departement'.

 

Hoe kijkt u aan tegen de provincie Zuid-Holland?
‘Zuid-Holland is dynamisch met twee van de vier grote steden in Nederland, de grootste haven van Europa, een groot gedeelte van het Groene Hart met al de problemen en kansen die daar bij horen, de kust niet te vergeten, greenports, de Drechtsteden en de universiteitssteden Delft en Leiden. In de Zuidvleugel en in Zuid-Holland spelen veel vraagstukken die relevant zijn voor heel Nederland. Het is daarmee een belangrijke partner om permanent mee in gesprek te blijven. Dat vind ik ook leuk. Vanuit mijn inhoudelijke gedrevenheid zou ik het mooi vinden als de provincie in haar hele veranderingstraject de inhoud centraal stelt. En stel doelen, laat zien welke inhoudelijke doelen en ambities de provincie ziet en zelf wil aanpakken. Daarmee kan de provincie inspireren, maar ook het eigen gezag vergroten en ook op langere termijn een relevante gesprekspartner blijven voor marktpartijen, maatschappelijke organisaties en het rijk. Dat vergt wel een cultuurverandering. Vanuit een nieuwe opstelling kan er ook een nieuw eigen verhaal, een inspirerende visie en nieuw élan komen. Ik ben ervan overtuigd dat de provincie dat heel goed kan. En ik ben benieuwd of en vooral hoe de provincie deze uitdaging oppakt.'

 

Hoe ervaart u de bestuurlijke samenwerking in de Zuidvleugel?
‘Ik merk dat Rotterdam en Den Haag dubbelstadexercities hebben gedaan. Alleen wordt het moeilijk effectief gemaakt. Die twee steden hebben natuurlijk heel duidelijk een eigen belang. De schaal die relevant is voor belangrijke vraagstukken waarmee zij zitten is niet altijd de Zuidvleugel of de ‘dubbelstad'. Dat is heel vaak de stad zelf en haar directe omgeving. Het is nog de vraag in hoeverre beide steden elkaar daadwerkelijk versterken. Het is in mijn ogen een uitdaging ervoor te zorgen dat één en één meerwaarde heeft en tot meer dan twee gaat leiden. Ik ben benieuwd of er voldoende gezamenlijke wil, maar ook voldoende gezamenlijke belangen zijn om dit idee daadwerkelijk tot een succes te kunnen maken. Natuurlijk is ook de schaal van de Randstad en een vraaggerichte netwerkbenadering, nationaal én internationaal relevant. Rotterdam is met haar haven pas echt effectief in relatie met Antwerpen, Amsterdam en wellicht Hamburg. Ik denk dat de kracht van de steden de samenwerking soms in de weg staat. Dat het zoeken naar synergie doelredeneren wordt; het moet zo nodig. Terwijl ik denk, vind de synergie waar de kracht zit en niet andersom. Die inhoud moet centraal staan en de gekozen samenwerking moet daaruit volgen. Ik ben ervan overtuigd dat er dan diverse samenwerkingsverbanden zinnig zijn, waaronder die van de zogenoemde ´dubbelstad´.Ik heb de indruk dat de zuidelijke Randstad wat dit betreft nog aan het begin staat van een boeiend en tegelijk potentieel zeer krachtig traject. Doen!

 

Wat merkt u ervan in Randstad 2040?
‘In Randstad 2040 heeft de Zuidvleugel moeite om haar inhoudelijke agenda te schetsen en zich daar ambtelijk en bestuurlijk op te organiseren. Datzelfde zag je vroeger bij de Noordvleugel. Het heeft de Noordvleugel ook heel lang gekost om haar inhoudelijke agenda te formuleren en zich daarop te organiseren. Ik vind het mooi dat dat in de Noordvleugel intussen goed is gelukt op basis van de inhoudelijke opgaven. Ook de Utrechtse regio maakt wat dat betreft stappen voorwaarts en er wordt langzaam aan aanhaking tussen de Noordvleugel en Utrecht gezocht. De Zuidvleugel moet ook meters maken en met een sterk en gedragen inhoudelijk verhaal komen. Ik hoop dat dat lukt en zie dat het proces om als rijk en regio samen te werken bij het opstellen van de langetermijnvisie op de Randstad hier een impuls aan geeft en maakt dat van elkaars voortgang kan worden geleerd. Ook in die zin is Randstad 2040 een kans om door te pakken voor de zuidelijke Randstad.'

 

Hoe komt dat denkt u?
‘De Zuidvleugel is een netwerk in ontwikkeling. Dat gedijt juist door concurrentie en door verlies en winst, niet door evenwicht. Dat is het moeilijke in de Zuidvleugel. Maar dat zou je als Zuidvleugel nu juist moeten en kunnen benutten! Dat zie je nu weer terug met het Randstad 2040 omdat er op de een of andere manier nog niet voldoende massa zit vanuit die inhoud en nog vaak vanuit een reactieve houding wordt geopereerd. De zuidelijke Randstad heeft veel te bieden en verdient zoals ik al aangaf een meer zelfbewuste en proactieve houding. Een concepten als Stedenbaan is daarvan een prachtig voorbeeld.´

 

Heeft u nog een boodschap voor de Zuidvleugel?
‘Ik hoop en verwacht van de mensen in de Zuidvleugel dat ze elke dag het gesprek aan gaan met elkaar over zichzelf, net zo goed als wij dat moeten. Het heeft veel moeite gekost om dat gesprek te voeren in de Zuidvleugel. Pak met energie en kracht en overtuiging de eigen positie en speel het spel niet reactief. Daar zit de winst. Daarvoor vraagt het wel dat de partijen in de Zuidvleugel veel investeren in elkaar, in de inhoud en in de kwaliteit van organisatie.

 

Hoe kijkt u aan tegen de Randstad op de lange termijn?
‘De verschillende internationale krachten in de Randstad zitten vooral in de steden. Het gaat dan natuurlijk om Amsterdam, maar ook in Rotterdam, Den Haag en omgeving is een aantal krachtige functies te vinden die bijdragen aan de internationale concurrentiepositie. Die sterktes moeten we veel meer centraal stellen zonder op voorhand te bedenken of iedereen wel voldoende in beeld komt. Een krachtige internationale concurrentiepositie betekent bijvoorbeeld dat het succes van de Amsterdamse Zuidas voor de hele Randstad belangrijk is. Het hoofdkantoor van AkzoNobel heeft zich nu daar gevestigd en het is belangrijk ze hier te houden! Op lokaal en regionaal schaalniveau zijn er grote, vergelijkbare issues wanneer het gaat om de kwaliteit van wonen, werken en leven. Het is mijn overtuiging dat het investeren in die krachten op stadsniveau ook bijdraagt aan de internationale concurrentiepositie. Ik zeg "Er is nog geen kabinet geweest dat zoveel aandacht besteedt aan de Randstad. Pak die kans!" Als we nu met elkaar een visie en een Randstad-Urgent programma met een onderzoeks- en een uitvoeringsagenda omarmen ,voor de korte en de lange termijn, dan leggen we de komende kabinetten vast om te blijven investeren in de Randstad. Ik heb daar veel vertrouwen in!'

 

> Dit interview stond in verkorte vorm ook in de Zuidvleugelkrant van juli 2008. > Naar nieuwsoverzicht Zuidvleugel

Henk Ovink
Henk Ovink